Ruimte voor de Waal: Ontwerp van de nieuwe waterkering te Nijmegen-Lent - Integratie van geotechniek, waterkeringen en constructies.
Geplaatst: 05 August 2015

PREVIEW uit editie 4-2015 van het vakblad Geotechniek

 

Samenvatting
In Lent bij Nijmegen is een gigantisch civiel werk uitgevoerd waarbij de Primaire waterkering van de Waal over een lengte 350 m landinwaarts is verplaatst. De werkzaamheden bestonden onder andere uit het verlengen van de bestaande bruggen, het aanleggen van nieuwe bruggen, 700 m nieuwe groene dijk en 900 m nieuwe harde kade. Dit artikel beschrijft het ontwerp de 8 m hoge L-wand van de nieuwe harde kade waarbij met behulp van Plaxis- en SCIA-berekeningen tot een optimaal ontwerp is gekomen. Voor een goede modellering zijn ervaringen uit het verleden teruggerekend, is er uitgebreid gemonitord en zijn de geotechnische en constructieve modellen op elkaar afgestemd.

--------------------------------------------------------------------------------------------------

In 1993 en 1995 hadden de Rijn en de Maas te kampen met zeer hoge waterstanden. Naar aanleiding van deze hoge waterstanden is gebleken dat de Rijntakken en de Maas grotere hoeveelheden water af moesten kunnen voeren dan de hoeveelheid waarmee tot dusver rekening was gehouden. Omdat de dijken op de meeste plaatsen niet aan de wettelijke veiligheidsnorm tegen overstromen voldoen, zijn maatregelen nodig. In het jaar 2000 heeft het kabinet het Rijksprogramma Ruimte voor de Rivier gekozen als uitgangspunt voor een nieuwe aanpak van hoogwaterbescherming: in plaats van het verhogen en versterken van dijken, moet de rivier meer ruimte krijgen. Daarbij is als uitgangspunt genomen ‘geen dijkversterking, tenzij …’.

Inleiding
De Waal heeft bij Nijmegen te maken met een vernauwing en een scherpe bocht die als een soort ‘flessenhals’ de doorstroming van de rivier beperken. In de Planologische Kernbeslissing (PKB) Ruimte voor de Rivier (2006) is berekend dat verlegging van de noordelijke Waaldijk met 350 meter landinwaarts de meest effectieve maatregel is om de doorstroming te bevorderen. De bocht wordt met een nevengeul afgesneden over een lengte van circa drie kilometer. Hierdoor ontstaat een langgerekt (stads)eiland midden in de rivier. Aannemerscombinatie i-Lent (bestaande uit DuraVermeer DivisieInfra BV / Ploegam BV) voert dit project uit, ondersteund door Witteveen+Bos voor het ontwerp van de constructieve objecten. Belangrijke onderdelen voor Witteveen+Bos daarin zijn de realisatie van een grote kadeconstructie, een diep waterkerend scherm, de Parmasingelbrug, de Citadelbrug, en het verlengen van de bestaande Waalbrug (De Verlengde Waalbrug met tussenliggend Bastion), figuur 1. De omvang van het project en het grote aantal externe raakvlakken (waaronder de omlegging van de N325, Verlengde Waalbrug, de Promenadebrug en de spoorbrug) geven een enorme uitdaging voor aanleg binnen een strak tijdschema. Zo moest het wegverkeer over de kruisende bestaande Waalbrug (N325) en het treinverkeer over de spoorbrug te allen tijde doorgang vinden. De nieuwe waterkering bestaat voor circa 700 meter uit een groene dijk en voor circa 900 meter uit een harde kadeconstructie lopend vanaf de westzijde van de spoorbrug tot voorbij de Verlengde Waalbrug. De harde kade is opgebouwd met betonnen L-wanden van acht meter hoog. De opgaande wand van de L-wand heeft vanuit esthetisch oogpunt een helling schuin naar achteren tot de kerende hoogte van NAP+16,4 meter. Aan de voorzijde hiervan bevinden zich verschillende niveaus die door trappen, hellingbanen en grondtaluds met elkaar zijn verbonden. De inrichting van het gebied is daarbij gericht op een prettige omgeving voor recreatie met zicht op de rivier, figuur 2.


Dit artikel behandelt het ontwerp van de harde kadeconstructie die Lent en het achterland moet beschermen tegen het water in de Waal. Het ontwerp is afgestemd en geoptimaliseerd aan de hand van de wisselende eigenschappen van de ondergrond en de lokale omstandigheden en belastingssituaties. Daarnaast is een belangrijke parameter van het ontwerp de toelaatbare vervormingen in de gebruikssituatie. Hiertoe is gekozen gebruik te maken van eindige elementen beschouwingen in Plaxis in combinatie met Scia Engineer; Plaxis voor de grondinteractie en Scia voor de betonconstructie. De resultaten van beide pakketen zijn op elkaar afgestemd om tot een optimaal ontwerp te komen.

Ontwerp
De kademuur bestaat uit 36 moten, die zijn ondergebracht in ontwerpsecties A t/m K, figuur 3. De secties zijn ingedeeld op basis van geometrie, omgevingobjecten en bodemopbouw voor het verkrijgen van een zo economisch mogelijk ontwerp. Sectie B betreft hierbij, bijvoorbeeld de passage met de Verlengde Waalbrug, sectie E met de Promenadebrug en sectie H met de spoorbrug. Binnen sectie H is onderscheid gemaakt tussen de L-wanden onder de spoorbrug en die ernaast. Voor de overige secties is de belangrijkste variatie het verloop van het voorland vanwege de grote invloed die deze heeft op de stabiliteit van de L-wanden.


Het project ‘Ruimte voor de Waal’ is aanbesteed als een design-and-construct contract met een onderhoudscomponent (D&C en Maintenance). In de vraagspecificatie zijn eisen gesteld aan de verschillende constructies. Een harde eis is de realisatie van betonnen L-wanden met een grondkerende hoogte van 5,9 meter, ongeacht de inrichting van het voorland met hieronder een ondergronds waterkerend scherm tot circa 20 meter diepte. In het referentieontwerp van de opdrachtgever is de L-wand voorzien met een fundatie op palen. In het ontwerp is gezocht naar mogelijkheden om de L-wanden te funderen op staal. Door de aanwezigheid van harde zandlagen op beperkte diepte werd dit haalbaar geacht. De cohesieve deklaag onder het funderingsniveau is hiervoor vervangen door zand. Dit heeft een besparing opgeleverd van bijna 1000 funderingspalen.
Voor het ontwerp is conform de vraagspecificatie rekening gehouden met onderstaande maatgevende de waterstanden:
•  Maatgevend hoogwater (MHW):
  o Waterstand nevengeul zijde NAP +16,03 m;
  o Waterstand Lentzijde NAP +10,50 m.
•  Val na hoogwater:
  o Waterstand nevengeul zijde NAP +10,50 m;
  o Waterstand Lentzijde NAP +12,00 m.
•  Laagwater:
  o Waterstand nevengeul zijde NAP +3,50 m;
  o Waterstand Lentzijde NAP +8,00 m.

Door de zanderige ondergrond was als waterkerend scherm een cement-bentoniet wand (CB-wand) voorzien tot in de diepe waterremmende klei/leemlaag. Hierbij was uit oogpunt van duurzaamheid de CB-wand voorzien van een afgehangen damwand of kunststofprofiel. In het referentieontwerp waren lichte damwandprofielen in het CB-materiaal voorzien. In het huidige ontwerp is gekozen om als primaire waterdichting gebruik te maken van een foliescherm. Om grondwaterstroming onder de kade te voorkomen moet de L-wand waterkerend verbonden zijn met dit foliescherm. Deze schermen zijn met een afzinkframe geïnstalleerd in de natte CB-sleuf. Het foliescherm bestaat uit een gepatenteerd systeem (Geolock), bestaande uit HDPE-panelen van 2 meter breed en 2 mm dik. Ze zijn voorzien van kunststof sloten met in het slot een zwelkoord dat bij aanraking met water de sloten waterdicht afsluit. Om het scherm aan te sluiten op de L-wand is deze 20 cm ingestort in de vloer. Door de gekozen uitvoeringstechniek bleek de plaatsingstolerantie te kunnen variëren tussen +/- 0,20 meter. Hierop is de wapening in de L-wand aangepast, figuur 4. Het bleek zeer lastig de plaatsingstolerantie klein te houden, omdat het vloeibare cement bentoniet niet stilstaat door de op- en neergaande beweging van de graafmachine in dezelfde sleuf.

In de vraagspecificatie was de hoogte van de L-wand vastgesteld. De afmetingen van de vloer van de L-wand waren echter niet gespecificeerd en zijn in het ontwerp per sectie met Plaxis 2D geoptimaliseerd. Vanuit constructies zijn daarbij de optimale betondikte en wapeningsconfiguratie per moot van 25 m bepaald. Aan de achterzijde van de vloer is daarbij voor de meeste secties een korte damwand geplaatst om de overallstabiliteit van de waterkering te waarborgen en zo beton uit te sparen. Deze damwand zorgt voor een vernageling van het glijvlak dat anders zou kunnen ontstaan. Door de damwand moet het glijvlak een langere weg afleggen. Zie figuur 5 waarin een moot met damwand zichtbaar is.

Monitoring
Een groot deel van sectie A, 4 van de 7 moten, lag vooraan in de planning in verband met de aanleg van de tijdelijke omleiding N325. De L-wand van dit deel werd aan de achter- en voorzijde volledig aangevuld met zand, zodat het verkeer van de N325 hier tijdelijk over kon worden omgeleid om plaats te maken voor de aanleg van sectie B en de Verlengde Waalbrug. In verband met de planning is hier gekozen voor een robuust ontwerp. Omgevingsobjecten waren niet aanwezig en de kans op schade aan de voegprofielen door verschilzettingen tussen de moten was zeer laag. Dit laatste kwam door de gelijkmatige grondopbouw onder de moten en gelijkmatig aanvullen, zodat alle moten tegelijk werden belast. Hiermee was het risicoprofiel van deze eerste moten laag. Omdat de uitvoering hiervan voorliep op het ontwerp van de overige secties is het gedrag van de constructie uitgebreid gemonitord ter validatie van het Plaxismodel. Vaststellen van het deformatiegedrag van de L-wanden was ook van groot belang om aan te tonen dat de kerende hoogte werd gehaald en de vervorming van de voegen tussen de moten niet groter was dan dat het voegprofiel kon opnemen.


In figuur 6 zijn de berekende en gemeten verplaatsing van de L-wand weergegeven na het aanvullen aan de achterzijde. Voor het berekenen van de verplaatsingen met Plaxis is gebruik gemaakt van het ‘Hardening Soil-model’. In de grafiek is op de achtergrond de L-wand weergegeven in onvervormde toestand, met hierin de aanwezigheid van de CB-wand aan de voorzijde. De berekende positie van de L-wand in de vervormde toestand is weergegeven met de rode doorgetrokken lijn. De nul- en eindpositie van alle meetpunten zijn weergegeven met de rode en zwarte punten. De verplaatsingen in de figuur zijn met een factor 50 vergroot voor de leesbaarheid. Op de betonnen wand zijn de vervormingen gemeten met verschillende monitoringpunten aan de bovenzijde en halverwege de wand. Hiertoe zijn reflectoren geplaatst en metingen uitgevoerd met een Total Station. Met de Total Station konden de X, Y en Z-positie van de reflectoren worden bepaald. De reflectoren zijn aan weerszijde van iedere voeg geplaatst, zodat de vervorming over het betreffende voegprofiel berekend kon worden t.o.v. de nulmeting. De zetting van de achterzijde van de L-wand werd gemeten met zakbaken die aan de achterzijde van de vloer waren bevestigd. In totaal zijn op de eerste vier moten 8 zakbakens en 16 reflectoren geplaatst.


Uit het ontwerp is gebleken dat de CB-wand onder de teen van de L-wand zich gedraagt als ‘stijf element’. Dit gedrag is aangetoond met metingen in de praktijk, waarbij de L-wand een lichte kanteling achterover ondergaat, door het aanbrengen van de grote hoeveelheid grond op de vloer. Met de metingen is aangetoond dat de Plaxisberekeningen een conservatief beeld geven van de werkelijke verplaatsing. De verticale en horizontale verplaatsingen zijn ongeveer een factor 2 kleiner dan werd berekend. Het model is hierop echter niet aangepast, omdat de grondslag niet over de hele waterkering gelijk is en bovendien is de waterkering voorzien van een in hoogte verstelbare afwerkingsbalk, zodat de kerende hoogte exact kon worden gehaald. Daarbij was een veilige modellering van de vervormingen belangrijk voor de risicovolle omgevingsobjecten, zoals de spoorbrug, en moest de waterdichtheid van de voegprofielen tussen de moten worden aangetoond. Dit is gedaan door aan te tonen dat de verschilvervorming tussen de moten kleiner is dan de vervormingscapaciteit van de profielen.

Risico gestuurd ontwerp
De passage van de waterkering onder de spoorbrug van Nijmegen heeft een zeer hoog risicoprofiel. Dit betreft sectie H. Door de positie van de waterkering in relatie tot de nevengeul is het voorland hier extreem kort en steil. Door de beperkte ruimte achter de wand en de aanwezigheid van de fundatie van de fietsbrug Snelbinder, was het hier niet mogelijk de L-wand te maken. Daarom is de vloer verschoven naar de voorzijde (gespiegelde L-wand) en is de stabiliteit geborgd door dit deel op palen te funderen, figuur 7. Het omvangrijke oude gemetselde landhoofd van de spoorbrug is gefundeerd op staal. Vanwege de belangrijke schakel in het spoornetwerk en de vitale functie voor de stad Nijmegen mocht vanuit het contract het spoor niet buitendienst worden gesteld. Op 10 meter afstand van het landhoofd moest het waterkerend scherm worden gegraven. Het aanbrengen van de CB-wand, zoals die was voorzien in het contract, zo dicht bij een bestaand landhoofd met in gebruik zijnd spoor werd als zeer risicovol gezien door de mogelijkheid op sleufinstabiliteit. Bij uitvoering van CB-wanden wordt namelijk gewerkt in relatief grote sleuflengten en verhardt de wand langzaam. De sleuflengte wordt gemeten tussen de positie waar wordt gegraven en de positie waar de CB-wand is uitgehard. De sleuflengte kan zo oplopen tot meer dan 20 meter.

Om het gevolg van sleufinstabiliteit te kwantificeren ter plaatse van de spoorbrug is met Plaxis 2D een berekening gemaakt waarbij instabiliteit is gesimuleerd door de CB-wand een volumekrimp van bijna 100% te geven. Het gevolg was een maaiveldzetting tussen het landhoofd en de CB-wand van 1 meter. De zetting van het landhoofd zelf zou bij een dergelijke calamiteitensituatie niet verder oplopen dan 12 cm vanwege het diepere fundatieniveau, de afstand tot de sleuf en herverdelende werking van het landhoofd. Een dergelijke zetting is echter onacceptabel voor het spoor, omdat dit een maandenlange buitendienststelling zou betekenen om het landhoofd te repareren en potentieel gevaar zou opleveren voor een op dat moment passerende trein.

Gezien de bovenstaande factoren is besloten het waterkerend scherm ter plaatse van de spoorbrug te realiseren met een diepwand. Door de kleine sleuflengte van 3 meter is de sleufstabiliteit veel groter. Daarnaast is de kans op optreden van instabiliteit kleiner, doordat de periode waarin de sleuf open staat met bentoniet en wordt voorzien van wapening verkort is tot  1 dag Tot slot is bij een diepwand het gevolg van instabiliteit kleiner. Een sleuflengte van drie meter brengt namelijk een veel kleiner grondvolume in beweging dan een sleuf van meer dan 20 meter.


Om de positie van de overgang tussen de CB-wand en de diepwand te bepalen is met behulp van een Plaxis 3D-model het invloedsgebied berekend van sleufinstabiliteit van de CB-wand. Hierbij is aangenomen dat 5 mm zetting van het maaiveld ter plaatse van het landhoofd ten gevolge van deze calamiteit nog acceptabel is. Met Plaxisberekeningen is gekeken naar het invloedgebied van sleufinstabiliteit van de CB-wand en deformaties daarbij naar de omgeving. Dit heeft ertoe geleid dat de diepwand tot 10 meter buiten de fundaties van de spoorbrug is doorgetrokken. Buiten deze contour zijn weer aansluitingen gemaakt met de CB-wanden.

Risico diepwandinstallatie
Voor realisatie van de nevengeul zijn de fundaties van drie brugpijlers van de spoorbrug verlengd door ze in te pakken met een beschermingconstructie van diepwanden. Deze werkzaamheden zijn vanuit Prorail in een apart contract op de markt gezet en vooruitlopend op de ontgraving van de nevengeul gerealiseerd in 2012. Bij uitvoering van deze diepwanden zijn echter forse steunpuntzettingen gemeten van circa 30 mm (R. Spruit, 2013). Een dergelijke zetting zou niet acceptabel zijn voor het op staal gefundeerde gemetselde landhoofd. De eerste tussenpijler is gelegen op circa 80 meter van het landhoofd. De diepwanden van de tussenpijlers zijn even diep, hebben dezelfde sleuflengtes en hebben nagenoeg dezelfde grondopbouw als de diepwanden van de waterkering. De tussenpijlers zijn tijdens de uitvoering van de diepwanden continu gemeten. Deze metingen zijn door Prorail beschikbaar gesteld en zijn gebruikt voor een postdictie voor fine-tuning van de Plaxismodellen. De 3D situatie van de diepwanden rondom de tussenpijlers is hiervoor vereenvoudigd tot een 2D axiaal symmetrisch model.

In het axiaal symmetrische model is de diepwand gemodelleerd met volume-elementen. Het gedrag van de diepwand tijdens installatie is vervolgens gemodelleerd met een horizontale volumekrimp. Het verschil in diepwandbreedte kon door het toepassen van een volumekrimp goed met elkaar verrekend worden. Hieruit is de conclusie getrokken dat een volumekrimp van 1% voor een diepwand van 0,8 m breed de zetting zeer goed benadert. De omzetting van het effect van krimp in het axiaal symmetrisch model naar het 2D-model is hierbij verwaarloosbaar. De gemeten zetting van 30 mm in de uitvoering bedroeg in de postdictie berekeningen 32 mm, zie figuur 8. Een volumekrimp is overigens geotechnisch gezien geen exacte omschrijving van dat wat er rondom de sleuf gebeurt, maar was hier wel uitermate geschikt door de zeer gelijkende geometrie, grondopbouw en omdat het totale effect van een groot aantal sleuven werd bepaald.

Met de uitkomst van de postdictie berekeningen van de tussenpijlers is een vertaalslag uitgevoerd naar de situatie van de waterkering bij het landhoofd. Bij het toepassen van de volumekrimp van 1% in het 2D model van de waterkering werd een zetting gevonden van slechts 2 millimeter van het landhoofd. De uiteindelijk opgetreden zetting van het landhoofd bij uitvoering van de waterkering was dusdanig klein dat deze wegvalt in de meetnauwkeurigheid van de metingen en natuurlijke fluctuaties. Deze fluctuaties worden veroorzaakt door de schommelende waterstand in de rivier en trillingen door passerende treinen over de brug.

Tot slot is gekeken of de verschilverplaatsing tussen de sectie op palen ter plaatse van de spoorbug met de naastgelegen op staal gefundeerde moten niet tot te grote vervormingen zou leiden. De spoorsectie verplaatst onder de hoge belasting richting de nevengeul. De moot roteert niet door de momentvaste verbinding met de diepwand en de funderingspalen. De naastgelegen op staal gefundeerde moten roteren naar achteren door de grondaanvulling op de vloer van de L-wand. Dit komt doordat de CB-wand, onder de teen van de L-wand, stijver reageert dan de grond waarop de rest van de L-wand is gefundeerd. Vervolgens is de verschilverplaatsing tussen de moten berekend om de afmetingen van het voegprofiel te bepalen.

Interactie met constructiemodel
Voor de beschouwing van de stabiliteit van de overige secties van de L-wanden is eveneens met Plaxis de lengte van de vloeren geoptimaliseerd. Vervolgens is met behulp van software van SCIA engineer de dikte van de wand en vloer bepaald. Hiervoor is voor vrijwel alle secties een 2D model gemaakt en voor een aantal een 3D model, afhankelijk van de situatie. Zo is de invloed van de ongelijkmatige bedding onder de 50 m lange moot van sectie B onder de Verlengde Waalbrug in een volledig 3D-model beschouwd. De belastingsgevallen en gronddrukken die een groot effect hebben op de wand- en vloerdiktes en hoeveelheid wapening zijn met behulp van Plaxisberekeningen geoptimaliseerd. Er zijn twee specifieke optimalisaties beschouwd: aanhangende grond en de horizontale gronddrukfactor.

Aanhangende grond
Omdat de kleilaag alleen onder de L-wand is vervangen door zand, wil de L-wand relatief gezien minder zetten dan het grondmassief op enige afstand van de waterkering. Door schuifspanningen in de grond zal deze grond als het ware gaan hangen aan de grond die bovenop de vloer van de L-wand rust. Dit is inzichtelijk gemaakt met een berekening waarin de L-wand is gefixeerd, figuur 9. Dit heeft een maximale verschilvervorming tussen de L-wand en de omgeving tot gevolg, en hiermee de maximale hoeveelheid aanhangende grond.
Uit de berekening volgt dat de gronddruk toeneemt naar de achterzijde van de vloer door de aanhangende grond. De totale grootte van de aanhangende grond is analytisch goed te bepalen. Bij vergelijking van de analytisch berekende aanhangende grond op het schuifspanningsvlak met de extra druk op de vloer in Plaxis komen deze vrijwel exact overeen.
In de constructieve berekeningen was in eerste instantie aangenomen dat de schuifspanning op het verticale vlak als een puntlast de vloer belast. Op basis van de Plaxisuitkomst is vervolgens de analytisch berekende belasting door de aanhangende grond meegenomen als driehoeksbelasting over de achterste helft van de vloer, figuur 9. Door het onderbouwen van de spanningspreiding met het Plaxismodel en de simplificatie tot driehoeksbelasting voor de 36 SCIA-modellen, was het mogelijk de wapening van de betonvloer economischer uit te voeren.

Gronddrukfactoren
De gronddrukfactor geeft de relatie tussen de verticale en horizontale gronddruk weer. Om de interne krachtswerking van de L-wand te bepalen is een model opgezet in SCIA-engineer. De buigende momenten die dit model gaf waren echter vele malen groter dan die gevonden zijn met Plaxis. Dit komt omdat het met SCIA-Engineer niet mogelijk is grondinteractie mee te nemen. Waar in Plaxis de L-wand met de grondvervormingen meebeweegt, actieve en passieve gronddrukken ontwikkelt en uiteindelijk weer in een evenwichtssituatie terecht komt zonder grote interne spanningen te ontwikkelen, kan SCIA dit niet. Zo zal bij een Maatgevend Hoogwater (MHW) de L-wand tegen de grond achter de wand gedrukt worden. De grond zal vervolgens in Plaxis naar mate van de belasting een tegendruk bieden en in SCIA niet. Om de modellen op elkaar aan te laten sluiten en vooral het SCIA-model beter te laten aansluiten op de werkelijk optredende grond-constructie-interactie zijn de actieve en passieve gronddrukfactoren Ka en Kp uit het Plaxismodel herleid. In de overige belastingsituaties, ‘Val na hoogwater’ en ‘Laagwater’, beweegt de L-wand naar voren. In deze gevallen is de stabiliteit van de L-wand maatgevend. Daarom wordt in deze situaties voor de betonconstructies aan de achterzijde gerekend met neutrale gronddruk, welke is berekend met de formule van Jaky: K0 = 1-SIN(φ) = 0,46.
Door de berekende horizontale effectieve gronddruk uit de MHW-fase in Plaxis te delen door de effectieve verticale gronddruk in de onbelaste fase is een actieve gronddruk bepaald van KA = 0,40 en een passieve gronddruk van KP = 0,76. Uiteindelijk zijn de factoren 0,4 en 0,7 toegepast in de berekeningen. De factoren gelden echter alleen als de L-wand op staal is gefundeerd. Bij de overige moten, de moten met damwand en de moot bij de spoorbrug, zijn andere factoren van toepassing, maar is dezelfde filosofie aangehouden. De gronddrukfactoren kunnen ook analytisch worden bepaald, maar deze waarden zijn minder realistisch, omdat zeer grote vervormingen nodig zijn om ze te bereiken. KP kan daarbij theoretisch zelfs oplopen tot meer dan 12.


Mede door deze optimalisatie kon de dikte van de betonwand aan de onderzijde over een groot gedeelte van de waterkering worden teruggebracht van 1,2 m naar 0,8 m. De bovenzijde heeft een vaste maat van 0,4 m.

Conclusie
Door de gekozen ontwerpaanpak is het mogelijk geworden de waterkering in Lent veilig, en risicogestuurd te ontwerpen. In iedere Plaxissnede kon de interactie met omgevingsobjecten worden bepaald en is de stabiliteit van de constructie aangetoond. Met behulp van Plaxis zijn de geotechnische belastinggevallen aanhangende grond en horizontale gronddruk, die een grote invloed hebben op de betonafmetingen en hoeveelheid wapening van de L-wand, in detail beschouwd en geoptimaliseerd voor de constructieberekeningen waardoor een economisch voordeliger ontwerp verkregen is. Het was in het ontwerp mogelijk gebruik te maken van eerder opgedane ervaringen in het projectgebied. Zo waren er binnen 100 m afstand al eerder diepwanden aangelegd en was een klein deel van de waterkering in de uitvoeringsplanning ver naar voren getrokken, zodat de monitoringsgegevens en opgedane ervaringen hiervan gebruikt konden worden in de rest van het ontwerp.

Dankwoord
Dit project is tot stand gekomen dankzij door de goede samenwerking met de aannemerscombinatie i-Lent, Prorail, gemeente Nijmegen en Waterschap Rivierenland.

Referenties
[1] Spruit R. [2013]. Nieuwe voeten voor de spoorbrug over de Waal bij Nijmegen. Geotechniekdag 2013.

Fotografie
Wouter Claassen

Mail dit artikel